De Ruys van de zee
Many Ruys, ooit hoofdredacteur van De Standaard en nog altijd columnist bij de krant (”nu mag ik ten minste schrijven wat ik wil”) woont sedert zijn pensionering, acht jaar geleden, aan zee. Hij betrekt een riante witte villa op de zeedijk in Zeebrugge. Villa ‘Windhoek’ staat op een boogscheut van het teloorgegane Grand Hotel. Vanuit de woonkamer en zijn werkkamer heeft de heer des huizes ongehinderd zicht op zee.
Net voor het brede raam van de salon heeft hij eigenhandig en geduldig een kleine duinenrug aangelegd. Jaren heeft het geduurd voor het experiment wou lukken, maar nu tekent zich voor het raam een begin van rug af. Geen last meer van rondstuivend zand en het vermindert alweer de inkijk van de passanten. Bovendien wuift het helmgras alle imperfecties van de zeedijk weg.
In huize Ruys is de zee, vanuit een knusse tweezit, alleen nog een panoramische strook, gevat tussen de kim en het gras. We vermoeden achter die gebeeldhouwde kop ook een architecturale knobbel, maar vooral de absolute wil om door niets of niemand gestoord te worden. Rechts in dat weidse blikveld strekt zich de onderhand beruchte dam van Zeebrugge uit en daarachter steken windmolens en kranen hun kruinen in het luchtruim.
“De aanwezigheid van de haven hindert mij helemaal niet. Integendeel, dat verleent een meerwaarde, Zeebrugge is geen ijdele badstad. Iedereen denkt: Zeebrugge, dat is niet te doen. Ik laat de mensen graag in die waan. Dan komen ze hier ook niet slenteren. In de week ben ik met de meeuwen alleen. In de haven werken bijna allemaal Antwerpenaars. Dat schept een band. Ik ben in Antwerpen geboren, ik kan niet zonder dat beetje haven leven. We kwamen van kindsbeen af al naar zee. Mijn moeder was een Hollandse, geboren op een Zeeuws eiland. Het zit hem blijkbaar in de genen. Ik zou niet in het Zoute in een villa kunnen leven of op een appartement op de dijk. We hebben altijd vrij gewoond.”
Hij heeft zijn stek gevonden nadat hij jarenlang in Meise had gewoond. Toen een vastgoedproject hun weidse kijk op de glooiende Brabantse weiden en de skyline van Grimbergen verknalde, besloten de Ruysen eens en voorgoed andere horizonten op te zoeken. De kust werd afgespeurd via zoekertjes in de kranten en zo kwamen ze op een dag bij een verlaten villaatje in Zeebrugge uit. Manu Ruys: “Ik zag het huis en ik wou eerst niet uit de wagen komen. Het ding was helemaal onderkomen. Uiteindelijk ben ik gezwicht voor de haven en ook door het feit dat we hier pal in een beschermd duinlandschap zitten. Onze tuin loopt uit op een ongerept natuurgebied, met vier vennen na elkaar waar niets meer aan veranderd mag worden. Ik vertoef hier tussen het land en de zee.”
De man die een heel leven geïnvesteerd heeft in het runnen van een krant en het schrijven van nuchtere hoofdartikels laat zich hier van zijn meer lyrische kant zien. De zee leek haast een voorbestemdheid, een rendez-vous met de eindigheid en de oneindigheid. “Elke dag, elke zonsondergang is anders. Gisteren stond de zee in vlammend rood. De Queen Elizabeth II die hier een tijd voor anker lag, voer uit. Het was prachtig om te zien hoe die kolos op een canvas van oranjerood voorbij voer.”
“De zee heeft een bijzondere uitwerking, en blijkbaar niet alleen op mij. Van stilte ergens in een verlaten gebied word ik slapeloos. Hier slaap ik met het raam minstens op een kier, ik kan niet meer zonder het ritme en het geruis van de golven. De zee klinkt bij nacht als een lullaby.”