design © 2006-2009Studio van Son|Wordpress

Tom Dice: me and my songfestival

Er zijn twee zaken die op je 25ste niet meer doet en later dan weer wel: onverhoeds naar zee vertrekken en naar het Eurosongfestival kijken. Dat van het songfestival heeft dinsdagavond even aan een zijden draad gehangen: Tom Dice had evengoed gewipt kunnen worden. Ja er was weer behoorlijk wat nieuwlichterij uit het voormalige oostblok. Namelijk jongens en meisjes die de smartlap, de new wave en zowaar de disco opnieuw uitgevonden hadden en anderen die dan weer het songfestival met een verkleedpartij verwarren. Ik was klaar om ook deze jaargang aan mij voorbij te laten gaan.

Maar Tom Dice dus, Tommeke Teerling die ze daar in Boom van de straat geplukt hebben na het met vrucht beëindigen van een studie dictie, notenleer en gitaar. Helemaal alleen daar in die immense sporthall van Oslo. Tom met zijn gitaar en toch wel een uniek freel febriel beetje ijl stemgeluid al bij voorbaat en intermezzoneel applaus vergarend. En dat met een liedje dat er mag zijn: tijdloos, over zo haast als niet en ontdaan van alle franje. Een gloed, een melange van nationale fierheid en doe ons maar eens na trok door me heen.

Ja dat heerlijke ouderwetse eurosongfestivalgevoel. Weet u nog dat Nicole en Hugo in 1971 door accute geelzucht verstek moesten geven in Dublin met “Goeie morgen morgen, goeie dag” en dat we dan koortsachtig supporterden voor de invallers: Jacques Raymond en Lili Castel. Dat was een zaak van nationaal belang, we spraken over niets anders. Het heette toen overigens nog niet Eurosong maar het Eurosongfestival. Dat was een jaarlijks bedrijfsfeestje van radio-en televisiedirecteuren der nationale omroepen die zich in de European Braodcasting Corporation verzameld hadden. De delegaties bestonden uit de zanger, plus de directeur amusement televisie, de omroeper en het duo Phil Van Cauwenberg en Paul Quintens, deze laatste waren de gepatenteerde schrijver en componist van zo wat alle Vlaamse inzendingen.

In de jaren vijftig was dat nog een crochet van charmezangers die als proefkonijn dienden voor de eerste amechtige en gamele Eurovisie-captaties: het was radio met bordkartonnen decors en voordrachtkunstenaressen die voor een parterre van dames in trois pieces en heren met smoking presenteerden. Tot er in 1967 een meisje de euvele moed had om op blote voeten op te treden. Sandy Shaw zong “Puppet on a string” en er woei plots een nieuwe wind tot in Parijs en tot in Leuven. Die werd alleen nog overtroffen door Danna. Deze Ierse beëindigde in 1970 haar lied “Knock Knock Who’s there” met de voltreffer: “take off your clothes and come inside”. Het lijflied van de Dolle Mina’s die in Amsterdam een propagandabetoging inlegden voor het gebruik van de pil. Het Eurosongfestival was trendsettend geworden.

Ik rammel er even mee want als ik mijn hart laat spreken zijn er in die jaren voor de Wende van Abba een paar liedjes geweest die heerlijke verwoestingen in de harten van velen hebben aangericht, strovuren schlagers die zoniet voor de eeuwigheid dan toch voor de tijdloosheid geschreven en gezongen zijn. De troubadours van Dubrovnik met Jedan dan een prefiguratie van de onuitputtelijke volksmuziek, Non ho l’eta van de zestienjarige Gigliola Cinquetti en I treni di Tozeur van Batiatto& Alice: twee onvervalste onverklaarbare Italiaanse hartenbrekers. En zo heeft iedereen wel zijn herinnering aan een jaargang en een liedje, al werd het na midden de jaren zeventig een begankenis om het festival nog uit te zitten. Misschien wel omdat iedereen alleen maar naar het recept van het winnende nummer zat te zoeken, terwijl de mooiste nummers vaak uit een kunstig gesneden losse mouw werden en worden geschud. Winnen is voor de wedstrijd, zingen is voor de zone tussen hersenen en hart.













Reageer