Kind onder kannibalen (1)

Ze renden me voorbij, negen waren het er maar ze leken wel een vijfde colonne op weg naar een gratis vat: lallend en baldadig. Ik had al met een paar klassen kennis gemaakt maar dit leek me a bridge too far, een nakend Waterloo, teveel voor een leraar alleen.

Ik had nog dertig seconden voor ik op de tweede verdieping aan zou komen en ik wist hoe ik de klas zou aantreffen: als een pas ingenomen stad: plundering, brandstichting en verkrachting van alle regels. Dan is expeditie Robinson daarbij vergeleken iets voor sissies. Hier stond ik voor het hek van de leeuwenkuil: alle hens aan dek.

Eentje was er op het venster aan het kloppen om de voorbijgangers alreeds voor het autodafé te ronselen. De kluit had zich al in poolposition gezet: motorhelmen in de aanslag. Het enige wat ontbrak was een paar pitspoezen en Berny Ecclestone om het startshot te geven. Vijf Automechaniek here I come.

Ik sommeerde iedereen om zijn helm, uiteraard terwille van de breekbaarheid  of op de stoel of op een vrije tafel te stallen. De publieksopwarmer beval ik zijn wervingsactie te staken wegens uitverkocht en stelde mij kort voor. Het was een kwestie van seconden voor ik op de verenigde schouders  en met een lauwerenkrans geconfectioneerd van mijn werktaken de klas uitgedragen werd… als ik niet het voortrouw nam.
De kerel die me vroeg of ik getrouwd was en kinderen had snoerde ik de mond met een kort ja en dat hij voor de rest maar mijn naam maar op google moest intikken om 4520 hits te krijgen.
De kluit keek even alsof ik ze in de maling wou nemen maar achteraan was enige commotie toen een backbencher melde dat hij met vrienden de avond te voren mijn naam uitgevogeld had op internet, met bevestiging van het protserige resultaat.
Er viel een stilte.
Enfin; na een korte oefening stillezen over de Lamborghini Miura en een steloefening over de geruisloze Toyota Prius die ook een optie had om lawaai te maken ( “Een klotestuk uit de Metro jongens,dat halen we uit mekaar als het motorblok van een Dafje om er een Rolls Royce van te maken. STRIPPEN DIE BOEL…..)  werd ik door de gong gered: de bel.

Volgden exact negen high fives bij het leeglopen van de pit.

De laatste high fiver, die ik al de hele tijd ingeschat had als de Don Corleone van het legioen, scheerde rakelings langs me heen en scandeerde een hoop lettergrepen in zijn vlucht die ik verbijsterd en in slow motion ontcijferde.
Ik sloot de klas af en een glimlach – coast to coast- op mijn consultronie: u-bent-de –enige–die –de-he-le-klas-aan- het- werk-heeft-kun-nen-zet-ten… . En weg was hij.
Die ene veldslag had ik gewonnen maar de oorlog is nog niet voorbij.