Naar de Provence, of naar Italië?

Deze tekst bevat geenszins het adres van Mark Uytterhoeven; dat vindt u in het tourverslag van 5 juli 2009

Vanaf de jaren 70 vond de trek naar het zuiden van Frankrijk plaats. Een mas in de Haute Provence of een stulpje in de Ardèche: dat was wat. Maar midden de jaren tachtig werd het plots Italië. Dat lag iets moeilijker.

Er waren pioniers en hekkensluiters, maar er zijn nu vooral onvoorwaardelijke Italië-fans en al even fanatieke Provence-aanhangers. Fred de Bruyne was waarschijnlijk de eerste om naar Frankrijk te trekken. De oud-wielrenner en BRT-coryfee besloot zijn oude dag in de Provence door te brengen, banjerend op een minitractor. Hij wist het daar in een mum van tijd tot een lokale bekendheid te schoppen. Iedere trend heeft voorlopers nodig om door te breken. Voorbeelden strekken en woorden wekken. Het zuiden van Frankrijk en de Italiaanse Riviera waren van oudsher bestemmingen voor uitstapjes, maar dan wel in de eerste plaats de kuststeden. Nice en Sanremo hadden langs hun kustlijn een rij van villas die als overwinteringsoord dienden. Maar nooit zou iemand er aan gedacht hebben het ruwe binnenland in te trekken. Wat de Vlamingen en de Duitsers begin de jaren zeventig ontdekten, was de ongekunsteldheid van het zuiderse platteland. De vlucht naar een pleisterplaats moest wel aan een aantal minimumvoorwaarden voldoen. Er was minstens één bar waar pastis geschonken werd en één paysan die je in vertrouwen kon nemen. Die generatie had misschien Pagnol gelezen, maar ze was nog te vroeg om Jean de Florettes in zijn filmversie te aanschouwen. In die film kwam een Parijse leraar het huisje betrekken dat hij geërfd had, maar hij kreeg helemaal geen bijstand van de locals. Wie het dorpsplein van een gemiddeld Provencaals dorp of een Ligurische Borgho betrad, kwam als het ware bij een Afrikaanse volksstam terecht. In die vroege jaren zeventig ging het om een gezonde argwaan, want de voorlopers van de beetje vermogende Vlamingen waren afkickende Duitse hippies die hun tenten in de heuvels achter de Franse en Italiaanse riviera opsloegen. En daar verdienden de inlanders geen stuiver aan.De generatie herders die gewoon waren aan een jaarlijkse transhumance, waren begin die jaren zeventig een uitstervend ras. De kleine gehuchten ontvolkten omdat de jongeren zich niet meer tevreden stelden met een plattelandsbestaan. Het was voor een buitenlander zeer verlokkelijk om een oude schaapstal te kopen voor een habbekrats en van een buitenverblijf te dromen. Helaas moest je zelfs het minste comfort ontberen. Er was geen elektriciteit, geen stromend water en je overwoekerde ruïne kon alleen met hulp van de inboorlingen tot een bewoonbare plek omgetoverd worden. En er was veel overredingskracht nodig want wie ging er nu buiten het dorp wonen? Hoogstens fantaisisten of druggebruikers.

In de Franse Provence merkte men iets vroeger dan in de Italiaanse dorpjes dat de omgang met kapitaalkrachtige buitenlanders lonend kon zijn. Er ontstonden al gauw ambulante vastgoedmakelaars die zeer tegen de zin van de stamvaders hier en daar een koeplek verpatsten. De gebroeders Verreth van het toenmalige Mechelse Miniatuurtheater slaagden er zelfs in een volledig dorp dat leeg achtergebleven was te restaureren. De trend was gezet, want even later leverden de reguliere vastgoedkantoren al kant-en-klare huisjes, desnoods met zwembad.De Fransen zelf hadden hoogstens een villa in de groene periferie van een van de festivalsteden; Orange, Aix, Avignon. Maar daar kwam ook met de jaren verandering in. Het was niet langer de haute bourgeoisie die aan zet was. Middenklassers grasduinden nu ook in het lagere segment. Het waren krasse vijftigers die met vrouw en kinderen en de caravan hun plekje gingen installeren.Dat wij Vlamingen meteen geporteerd raakten door het Franse Zuiden, is gemakkelijk uit te leggen. Eerst heeft de Côte dAzur ons aangetrokken. We spraken vlot Frans en we hadden maar een dagreis nodig om er te geraken. Die tocht langs de Autoroute du Soleil was een hellevaart, maar elkeen hield vol dat je er in twaalf uur toch wel kon komen. De reis werd telkens met een nooddruft afgelegd en begin de jaren tachtig vertelden we heroïsche verhalen hoe we via de Bison Futés de files konden ontwijken. Vanaf eind de jaren tachtig vlogen we op Nice en Marseille naar onze afgewerkte stulpjes.Dat was ook net het moment waarop wij Italië ontdekten. Dat land liet zich iets moeilijker inpalmen. Italië was voor ons in eerste instantie de streek rond Florence. Toscane werd de meest doorploegde en verkende streek van Italië. Toscane werd een wingewest waar men nauwelijks nog een ongebruikte stulp kon vinden. Je moest eigenlijk al voorbij Sienna, in Abruzzo of richting Perugia om iets betaalbaars te vinden. Toscane werd vergeven van het verblijfstoerisme. De middenklasse kan er nu veertien dagen een boerderij met zwembad huren via een gespecialiseerde bemiddelaar als Cuendet. Maar een herstelbare ruïne zoek je er als een speld in de hooimijt.

Ondertussen, maar dat wist niemand, kon je in Veneto vervallen villas van Palladio kopen voor een habbekrats en waren er in Liguria, achter Sanremo, al ruïnes te koop met een schortgroot lapje grond voor 20.000 frank. Die buitenkansjes lagen ook op een dagreis van bij ons, maar aan wie vertelde je dat je een buitenverblijf had in negorijen als Arma di Taggia of Bassano Del Grappa? De Provence kan je daarentegen wel altijd laten vallen, al leef je in een klein stulpje.Er viel voor de middenklassers onder ons niets te rapen in Toscane. In de vallei van de Crete, voorbij Sienna, woonde voortaan het kruim van de nieuwe aristocratie: de vroegere beheerder van een supermarktketen, de ex-baas van een bekend soort bouwmateriaal, onze eerste minister en nog wat nomenclatura, terwijl onze geldadel rond Florence was neergestreken. Telkens je het verhaal van de nieuwe lichting hoort, blijkt dat op verschillende punten gelijkenissen te vertonen: zij hebben het huis of het domein niet per toeval gevonden, de verbouwing en restauratie is nog altijd aan de gang en er wordt nauw samengewerkt met de lokale gemeenschap.De ingewikkeldheid van een zoektocht naar een huis in Italië werd het beste verwoord in Een huis in Italië van Wanda Newby. Toen zij in 1967 een vervallen boerderij kocht aan de voet van de Italiaanse Apennijnen op de grens van Ligurië en Noord-Toscane, ging een langgekoesterde droom in vervulling. Zij en haar man waren de eerste buitenlanders in de streek en vijfentwintig jaar later waren ze nog steeds de enigen. Na een moeizame start – een dak zonder pannen, een al jaren leegstaande septische tank en een zolder vol bedrading – werd I Castagni geleidelijk aan gerestaureerd met behulp van de lokale bevolking.

Een nog boeiender verhaal is dat van Anne Hawes, weer een Engelse die achttien jaar geleden in Liguria neerstreek en voor 80.000 frank een stulp kocht. In Extra Vergine vertelt ze het verhaal van de eerste ontmoetingen en de lange weg die er te gaan was in Diano San Pietro. Ze slaan onze handel en wandel zwijgend gade: onze onzedig blote bovenarmen en onze avondlijke uitstapjes naar Diano Marina, de wieg van alle luiheid, drugs en moreel verval, een oord waar mensen schaamteloos zonder partner dansen. Als deze aartsvaders op hun troon in een hoek van café zitten te broeden – en dat doen ze de meeste avonden tot een uur of halftien – mijden de jongere mannen (van beneden de vijftig) nog sterker dan anders het oogcontact met ons.Ondertussen moet we al die Engelse auteurs nageven dat ze zich wonderwel hebben laten adopteren door de Italianen en een hoge graad van affiniteit bereikt hebben. Parks en Hawes hebben de sprong ook tussen hun twintigste en hun veertigste gemaakt en ze zijn op een of andere manier de erfgenamen van E.M. Forster (A Room With a View) en andere Engelse schrijvers die de fascinatie van Albion voor Italië beschreven hebben. Componist Frederik Devreese, auteur Hugo Claus, theaterrecensent Wim van Gansbeke: allemaal zijn ze in het zuiden neergestreken. Maar nog niet op permanente basis. Zelfs Van Gansbeke, die een bed & breakfast uitbaat, kan je regelmatig op een theaterpremière in Antwerpen of Brussel zien. De meest honkvaste ex-patriot in Zuid-Frankrijk is Mark Uytterhoeven, die slechts node terug naar België komt vanuit zijn Drôme-vallei. Zijn ervaring geeft hij wekelijks prijs in een televisieweekblad en dat is voorlopig de enige bron van informatie over hoe het er ginds aan toe gaat.De nieuwste generatie zuiderlingen is die van de onthaasters die ergens voorbij het Massif Central een idyllische stek hebben gevonden waar ze ongestoord weed en hasj kunnen kweken. Na een kwarteeuw is de cirkel rond.Maar niemand moet ons nog komen vertellen dat hij een stekje in de Provence heeft bemachtigd. De ware adel trekt naar Italië om er een olijfgaard te beginnen en de fatsoengrens wil dat dat ergens onder het kniegewricht van de laars gebeurt als je niet voor toerist versleten wil worden.

Gerrit Six 02/06/2001 © De Financieel-Economische Tijd