1977. Ik was werkloos, ondergedoken in Leuven in een studentengemeenschapshuis. Johan Anthierens was wereldberoemd en ik besloot hem te interviewen voor levend publiek. Teveel naar Jan Van Rompaey gekeken zeker want ik koos noch min noch meer de grote aula, waar die toendertijd specials van Jan en Alleman opnam voor de studenten. Dat kon ik ook. Nobel onbekend nam ik de faculteitsbar van de rechten onder de arm en “Anthiersen Live in Leuven” zou op 14 februari de straten laten leeglopen. Megalomaan als ik al was besloot ik het professioneel aan te pakken: de stad vol affiches hangen, vooraf eten in de Casa Madre met de interviewee en voor de pauze Jef Geeraerts en nog wat door de meester gekneusde ego’s via de telefoon binnenhalen. De aula zat nokkende vol, 900 man en Anthierens kwam in een spervuur van applaus de arena in. Goed dat hij het gesprek constant overnam want anders waren we op een half uurtje rond geweest. De telefooninterviews (tap op de telefoon en stekkertje naar de techniek) waren onbeluisterbaar maar Anthierens nam me gewoon tot de hondertwintigste minuut mee in zijn élan. Ik kon zijn rug op mar dan niet zoals u denkt. Mijn maidentrip zat er op.
Vijftien jaar lang hield ik mij gedeisd tot ik eind de jaren negentig door Media Marketing gevraagd werd om jaar na jaar de presentaties voor het reclamefestival van/in Cannes waar te nemen.
Ik had gespaard, mijn ego in de vestiaire gelaten en geleerd van de paar Keynote Speakers die ik in Amerika aan het werk had gezien. You make make it or you break it in de eerste minuten/seconden van je optreden. Voor je eye-opener mag je alles gebruiken wat je in de kast hebt behalve je cv. Het hoeft niks te maken te hebben met het onderwerp van de presentatie. Een anekdote over je secretaresse/maîtresse, de amechtige koffie die je bij het binnenkomen achterovergeslagen hebt, of de hebbelijkheden van je Tomtom. Het maakt niet uit: als je ze maar je kamp binnenhaalt dan kan je daarna zelfs een kurkdroge slideshow de zaal insturen: jij bent het aanspreekpunt, you fill the room.
De mensen willen weten of je van vlees en bloed bent, niet of je een schriftelijke cursus presentatie gevolgd hebt. En je gasten, wel, die willen gewoon niet alleen op het podium staan, die willen tegen je aan schurken want jullie zijn de beesten aan het voederen.
Niets is zo erg als een co-host die afgelikt dreint en dreunt. Sta ik er naast zo eentje dan wacht ik op de eerste microfoon-panne, de eerste gast die niet opdaagt en dan ben ik aan de zet; al moest ik op handen en voeten naar de losse stekker zoeken of vijf minuten finale van een rit uit de Tour simuleren om het gat te dichten.
Maar mijn optredens zijn sindsdien op één hand te tellen: het Brussels Filmfestival (2001), De prijsuitreiking van Theater aan Zee (2001, 2002), en na een lange periode van media-stilte het festival van het Latijns-Amerikaanse lied. Occasioneel wat paneltjes waar voor en tegen geargumenteerd wordt. En natuurlijk gelegenheidspeeches.
De speech is een genre op zich en toevallig mijn specialiteit. Tien woorden op een bierviltje en gesteld dat ik enige tijd met het gezelschap heb doorgebracht dan is het vuurwerk. Vraag het maar aan Carlo Gepts toen ik hem in Budapest de poten van onder zijn stoel leek te prijzen bij de presentatie van de Hongaarse poot van VT4. Wou mij onmiddellijk een programma aanbieden. Gelukkig niet gedaan.
Waarom doe je dat niet vaker Six, vraag ik mij wel eens af. Maak daar toch eens reclame voor, hou je talent niet langer onder de korenmaat want God ziet dat niet graag. Bij deze dus.
