Harry Torczyner

Harry Torczyner is op paasmaandag 1998 overleden in New York. Torczyner, een geboren Antwerpenaar, was een internationale jurist, een grote kunstliefhebber en een levenskunstaar. De precieze leeftijd van Harry is altijd zijn best bewaarde geheim geweest. Daarnaar informeren werd niet gedaan, en ook postuum durf ik daar geen suggesties over doen. In dat kranige gestuikte lijf en onder het sneeuwwitte lange haar, dat hem de allure van een kapelmeester gaf, schuilde immers een kinderhart. In een van zijn jaszakken stak ook constant een fluitje. Dat was handig om in New York een taxi op te vorderen, maar het was gewoon ook een van de attributen van een surrealist in zaken.

Dat hij in de jaren vijftig René Magritte zou ontmoeten is van het soort toeval waarin hij niet geloofde. Ze waren in veel elkaars perfecte tegendeel, maar dat ene wat ze gemeen hadden was de aandrift om de wereld op haar kant te zetten en een perfect burgerlijk bestaan te combineren met een kwajongensachtige geest. Er was niet alleen vriendschap, ze waren gelijkgestemde zielen.

Harry Torczyner was nog maar net aan de Antwerpse balie begonnen, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en hij als jood moest uitwijken naar de Verenigde Staten. Dat werd zijn nieuwe vaderland, maar hij heeft de banden met het moederland nooit verbroken. Hij bleef met zijn broer altijd een voortreffelijk en barok Nederlands spreken, vertelde aan wie het wou horen hoe zijn kindersouvenirs aan Antwerpen hem nooit hadden losgelaten en kwam op zijn internationale reizen steevast langs Brussel terug.

Er zijn weinig mensen die zoveel gedaan hebben om de Belgische kunst een krachtige opstoot te geven in de VS. Niet alleen Magritte maar ook Pierre Alechinsky, Octave Landuyt of Roger Raveel mochten op zijn ambassadeurschap rekenen. Harry kende iedereen in de kunstwereld. Hij had zich via zijn praktijk op Fifth Avenue een plaats weten te verwerven in het establishment, niet onbelangrijk in een land waar de kunst vooral op patrons en sponsoring moet rekenen. Maar vooral had hij zich ontwikkeld tot een connaisseur in de hedendaagse kunst. De hal in zijn advocatenpraktijk werd al jaren versperd door een gigantische plaasteren man op een ziekenhuisbed van Georges Segal, in zijn eigen kantoor troonde een gigantische Francis Bacon in een hoek, en nog veel meer, waaronder zijn portret geschilderd door Magritte.

Torczyner wou absoluut geen verzamelaar of collectioneur genoemd worden, want dat klonk al te veel naar beleggen. Met uitzondering van een Delvaux-doek dat hij voor iets anders geruild heeft, is nooit een werk van hem verkocht. Hij was overigens een mecenas die fondsen en werken schonk en er op stond werken uit te lenen zonder naamsvermelding. Thuis, met zicht op Central Park, had hij de grootste privé-verzameling Magrittes ter wereld. Overigens werken die hij verworven had in tempore non suspecto, lang voor Magritte een begrip was.

Ik ontmoette Torczyner toen na de dood van Georgette Magritte de erfenis in onverdeeldheid raakte. Hij tackelde mij een uur lang over zijn leeftijd, die ik in een stuk vermeld had en de ‘tweedehandse’ beschrijving die ik van hem gemaakt had. Maar in al die jaren bleef hij een aangename en trouwe correspondent en vele anderen hebben met mij het genoegen gesmaakt van een onvoorwaardelijke camaraderie en gastvrijheid, ingegeven door een heel klein tikkeltje ijdelheid of trots, maar vooral door dat kinderhart dat graag de draak stak met alles wat zich groot waande. Had hij zich opgewerkt tot een respectabele en gegoede burger, ja, maar zijn grootste rijkdom was – vertrouwde hij mij toe – dat hij te allen tijde ‘merde’ kon zeggen. Hij wist als geen ander hoe er flaters begaan waren met die Magritte-erfenis, hoe lichtzinnig de weduwe met het erfgoed was omgesprongen, maar op het sterfbed van René Magritte had hij beloofd voor Georgette te zorgen en dat deed hij dus. Harry Torczyner was een grote meneer.

Gerrit Six

25/04/1998 © De Financieel-Economische Tijd