Klamer versus Klamer

Economen die zich met kunst of cultuur inlaten, we kennen ze onderhand wel. De ene keer is het al sponsoring en mecenaat wat de klok slaat, voor de ander moet de kunst zichzelf leren bedruipen. Goed een jaar geleden installeerde de Rotterdamse universiteit een leerstoel in de economie van kunst en kultuur. In zijn augurale rede wond professor Arjo Klamer er geen doekjes om: commercialisatie verstikt de kunst, die moet voortaan op een hechte achterban kunnen rekenen eerder dan op forse subsidie of sponsoring.
“Overheidssubsidies, die bedoeld zijn om de kunsten te stimuleren en de kwaliteit er van te verhogen, dreigen constant diezelfde kunsten te verarmen en nieuwe initiatieven te verstikken, het omgekeerde van waar ze voor bedoeld waren. Stilaan gaat het gesubsidieerde systeem op het commerciĆ«le lijken, berekening wordt de basis voor de verdeling van het schaarse goed dat kunst is.”

Klamer wijst op het gevaar dat er steeds meer energie in het verwerven van subsidie wordt gestoken, en dat ten koste van het echte creatieve proces. Bovendien, stelt hij, bevrijdt subsidie de kunstenmaker van de plicht om duurzaam te communiceren met hen die op zoek zijn naar cultuur als ervaring…
“Er komt geen blijvende relatie tussen beiden tot stand. Als we willen dat mensen blijvend betrokken zijn bij de kunst, dan moeten we er voor zorgen dat ze er een bijdrage toe leveren en dat ze er willen in investeren. Overheidssubidie ontneemt aan beide partijen die betrokkenheid.”

De commercialisatie van de kunsten kan volgens Klamer alleen een alternatief zijn voor zoverre kunst waarden produceert die direct verhandelbaar en onmiddellijk betaalbaar zijn: “Sponsoring is ook geen alternatief, want het is op zich weer een andere commerciĆ«le transactie. Het enige alternatief is dat zij die kunst produceren in veel nauwer contact komen met hen die naar kunst op zoek zijn. Dat kan gebeuren via vriendenkringen, via fundraising en nationale campagnes die expliciet steun werven voor de kunsten. Als de overheid niet langer centen geeft, zullen de cultuurverbruikers zelf moeten tonen wat kunst voor hen werkelijk waard is.”