Sociaal econoom
Zit Arjo Klamer, die nog het beste omschreven kan worden als een sociaal econoom, dan op de zelfde golflengte als professor De Grauwe, die we gemakkelijkheidshalve een liberaal denker kunnen noemen en die al herhaaldelijk heeft laten verstaan dat kunst zichzelf moet kunnen betalen? Wel, het ligt iets subtieler. Klamers oratie stelt meer vragen dan er beantwoord worden. Hij geeft geen pasklare oplossingen, al berust zijn beoordeling van kunst en cultuur op een vrij nuchtere, om niet te zeggen onnuchterende en puur economische analyse van de kunsten.
[Klamer] "Als je kunst op een puur economische manier analyseert, blijft er weinig van over, het stelt weinig voor. We kunnen eventueel de besteding kwantificeren, maar ook dat levert genante resultaten op. Nederlanders geven bijvoorbeeld meer aan schoenen uit dan aan theaterbezoek."
Er is in 1985 toch die befaamde studie geweest in Amsterdam die het economisch effect van cultuur mat. Toen bleek toch dat theater, film en festivals inkomsten genereerden in de horeca en de kleinhandel?
[Klamer] "Zo klonk dat, maar ik moet u teleurstellen. Die studie bleek al gauw op een onjuiste methode te berusten; men heeft daar gewoon aan multiplicatie gedaan: een gulden die aan kunst besteed wordt, zou dan weer een gulden voor de horeca opleveren, men heeft dubbel geteld. Als ik een gulden besteed aan een kunstenaar, dan koopt die daar materiaal mee, enzovoort. De redenering was dat die gulden zich vermenigvuldigde. Dat klinkt aannemelijk maar het klopt niet. De econoom - en dat is altijd vervelend - zegt dat dat maar één kant van het verhaal is. Ik onttrek die gulden namelijk aan het economisch systeem en daardoor krijg je ook een negatief multiplicerend effect. Als ik op een lezing zou vragen dat iedereen mij bij het buitengaan 100 gulden geeft om er de kunst mee vooruit te helpen, dan gaat niemand na afloop nog uit eten en het zou best kunnen dat het multiplying effect in de restaurants meer effect sorteert dan in de kunstwereld. Alleen geld dat door buitenlanders binnengebracht wordt, van buiten het eigen economisch systeem, vormt een uitzondering, want dat is invoer. Maar wellicht kan die buitenlander beter tulpen kopen dan kunst als het bijvoorbeeld op werkgelegenheid aankomt. Een goeie econoom ontnuchtert altijd op een schaamteloze manier, haast op het cynische af. Hij kent, zoals Oscar Wilde het stelt, 'de prijs van alles, maar de waarde van niets'. Zelfs investeren in plastische kunst rendeert niet, ten minste niet zo goed als andere beleggingen. Aandelen kopen in een gespreid fonds is in ieder geval veiliger dan in een kunstenaar investeren, kunst is te wisselvallig."
"Wij verpulveren alles onder onze nuchterheid. Er is in die sche analyse echter iets wat niet klopt. Ook al stelt kunst weinig voor, uit de aandacht die ze krijgt blijkt wat voor een belangrijke rol die kunst speelt. Aandacht is een schaars goed, aandacht trekken, krijgen en vasthouden is toch wat iedereen wil. Gegeven de schaarsheid is het opmerkelijk hoeveel aandacht er naar kunst gaat. Kunst krijgt bijvoorbeeld meer aandacht in de media dan de staalindustrie. Die aandacht weerspiegelt zich niet in het economisch belang, er is blijkbaar een ander belang. Het andere punt is dat Kunst en Economie elkaar niet goed liggen. In gezelschap van kunstenaars wordt geld al snel als iets vies beschouwd. Terwijl kunst hoe dan ook geld kost. Ook daar klopt iets niet. Kunst is gewoon weerbarstig. De derde vaststelling is dat in de cultuur en ook in de wetenschappen op allerlei manieren geldelijke transacties vermeden worden. Je betaalt niet aan de ingang voor een kerkdienst, de wetenschap laat zich niet direct betalen. Dat brengt ons in de buurt van vriendendiensten, die ook niet meteen verzilverd of afgerekend worden. Er spelen in cultuur waarden die niet direct meetbaar zijn."
