Nand Buyl is kort na zijn 86-ste verjaardag overleden ten gevolge van een hersenbloeding. Dit is de enige zin die ik aanpas in dit stuk/interview.
Buyl is een toneelspeler, zoals hij dat ook met zo weinig woorden in de Belgacomgids laat afdrukken. Het is zijn vak, zijn uithangbord en hij beoefent het metier van acteur onderhand al meer dan zestig jaar. Hij heeft niet stilgezeten, en hij incasseerde alle mogelijke blutsen, vooral in de tijd dat hij de artistieke leider was van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Wim van Gansbeke liet bij omroep Brabant geen gelegenheid voorbijgaan om krakende kritiek te leveren op elke productie die in de Lakenstraat in Brussel in première ging. ‘Van Gansbeke en ik kunnen best met mekaar opschieten’, zegt hij mij tijdens het gesprek. Geen spoor van rancune, en Buyl laat even in het midden of de criticus dan misschien wel af en toe gelijk had.
De sfinx
Om het enigma van de stille, gesloten en op het eerste gezicht een beetje norse Nand Buyl te begrijpen, moet men weten dat deze man – privé een levensgenieter – echt een vakman is. Je zal Buyl niet horen zeggen dat toneelspelen geen werk is. Hij struikelde het theater binnen in een periode – kort na de oorlog – dat een gemiddelde beroepsacteur om de anderhalve week een nieuwe rol moest instuderen. Buyl trok het voor de aardigheid eens na: hij speelde meer dan 1600 rollen, en dat in alle registers. Hij begon toen theater nog bandwerk was en de acteurs wel eens in de penarie kwamen en naar de souffleurbak moesten lopen of even ter plekke moesten improviseren. Dat was toen zelfs meer de regel dan de uitzondering. Met zo’n leerschool krijg je stalen zenuwen en een olifantenhuid. Sommigen teren dan op die routine, maar de klasse van Nand Buyl heeft geleerd om in de meest penibele situaties nog altijd groot te zijn.
Maar terug naar het begin. Nand Buyl was een Antwerpse jongen die behoorlijk wat zangtalent had en later, toen hij al in een kinderkoor gezongen had, aan het conservatorium muziek en dramatische kunst zou studeren. De piepjonge Buyl kreeg vanuit dat koor meteen een rolletje in de film ‘De Witte’ van Jan Verheyden en geraakte zo ook onder de aandacht van regisseur Gust Maes die hem engageerde voor de revue en de operette. Hij trad net voor de oorlog nog op in de Brusselse Alhambra. En van het ene kwam het andere. “Ik wist niet eens dat de KVS bestond, maar ben toch maar aan het conservatorium gaan studeren. Je bent zeventien en eigenlijk mossel noch vis. Er moest gestudeerd worden om geen bohémien te worden. Maar een paar maanden later werd ik door Gust Maes in de KVS geëngageerd. En daar ben ik tot 1993 gebleven, met uitzondering van één jaar, toen we na de oorlog een tournee deden voor de soldaten in Duitsland.”
Vernieuwingsdrift
Buyl sleet dus zijn halve leven in die KVS. Dat die stadsschouwburg geen hoge ogen gooide, is volgens hem te wijten aan de te geringe middelen waarmee het huis moest werken, maar ook aan de vernieuwingsdrang : “Er was die drang om te vernieuwen en te veranderen, maar tegelijk had je een publiek dat helemaal niet op verandering uit was. De opkomst liep terug en de financiële put werd alsmaar groter. Ik zag die vernieuwing een beetje met lede ogen aan maar werkte ze ook niet tegen. Ik heb destijds ook Franz Marijnen in de KVS uitgenodigd.”
“We hadden een traditie om de dinsdagavond vernieuwend theater te brengen. Maar er kwam geen hond en we speelden voor onszelf. Daar kwamen nog problemen van syndicale aard bovenop. Ik was 22 jaar artistiek leider en vooral de laatste zes jaar, tot ik in 1993 wegging, waren heel moeilijk. Ik was echt niet meer in staat om die taak verder op te nemen.”
“Van de ene dag op de andere stond ik op straat. Dan denk je: wat gaan we nu doen? Ik was amper de KVS uit toen er een voorstel van Jo Decaluwé van Arca kwam om samen met Julien Schoenaerts twee eenakters van Becket te spelen. En het hield niet meer op. Het was ook plezant om in kleine zalen te spelen. Het was een nieuwe ervaring en het viel allemaal behoorlijk mee. Frans Redant vroeg me in de KNS, ik speelde in de KVS samen met Senne Rouffaer ‘De Storm’. Soms boden ze me maar heel kleine rolletjes, maar ik werkte sindsdien al met een vloed van nieuwe regisseurs en dat is boeiend. Ik heb vooral geen tijd gehad om in te dommelen. Stilzitten ligt ook niet in mijn karakter.”
Buyl kon de KVS dan wel niet uit het puin redden, één ding moet je hem nageven: hij is een duivels goed acteur. De legende zal hem overleven. Je kon Buyl in de grootste penarie vinden, met stuntelende lerige medeacteurs of met regisseurs die er geen touw meer aan vast konden knopen, maar Buyl stond er en speelde iedereen van de planken. “Ja, er waren van die situaties waarbij je dacht: jongens wat wordt het hier, sauve qui peut. Dan denk je maar aan een ding: hoe red ik mij hieruit? Jullie verzuipen maar ik kan zwemmen. Dat ik nog had meegemaakt dat je voortdurend nieuwe rollen moest spelen en memoriseren, gaf mij wel wat voordeel. Het kwam erop aan om op tijd bij de souffleursbak te geraken, anders moest je maar zorgen dat je je eruit improviseerde. Een beetje fantasie kon geen kwaad, want één ding kon je absoluut niet doen: stilstaan en zwijgen. Liever improviseren dan op je gezicht te gaan.”
Dat een geroutineerd acteur als Buyl zo lang in het getouw blijft, heeft ook te maken met zijn aanpassingsvermogen: “Er waren altijd goede en slechte regisseurs. Er is eigenlijk niets veranderd, er is alleen een nieuwe aanpak gekomen. Ik kan mij er best in vinden om mij aan een regisseur aan te passen, om mij te plooien naar zijn emplooi. Het spannende is juist dat ze aan je sleuren. Het ergste is dat je met een regisseur te doen hebt die de zaak niet in de hand heeft en niet weet wat hij wil. Ja, dan kan ik best wel eens genadeloos zijn. Zo lang mijn bovenkamer het aankan, ga ik ermee door. De rollen liggen niet voor het rapen maar ik word nog altijd gevraagd. Het hoeven ook echt geen hoofdrollen te zijn.”
“Toen ik in het vak stapte, had ik ook niet het uiterlijk van een jeune premier. Ik speelde behoorlijk wat tweedeplansrollen, maar met plezier. Je werd in die tijd ook snel gecast: je kreeg heel snel het imago van dramatisch of komisch acteur. De tweede rol die ik in de KVS kreeg, was in de klucht ‘Het was dertig seconden liefde’. Ik was de helper van de tandarts, een niemendalletje van een rol. Maar toen werd de hoofdrolspeler ziek en moest ik invallen: ik kreeg een lap tekst waar ik mij doorworstelde. Je leert het vak door naar anderen te kijken, door de grote komieken te zien in de film. Daar distilleer je iets uit dat van jezelf is. Het mooiste compliment dat je kan krijgen, is nog altijd: ‘het was ‘klote’, maar het komt wel. Je moet geen medelijden vragen.”
Nand Buyl is meer dan 60 jaar actief geweest als toneelspeler, ieder jaar aanvaardde hij nog twee of drie aanbiedingen. Hij is tot ridder in de Leopoldsorde geslagen, kreeg In 2005 de Special Joseph Plateau Lifetime Achievement Award. In 2005 speelde hij een grote rol in de dramaserie ‘De Kavijaks’ en in 2006 speelde hij de hoofdrol in de film ‘Vidange perdue’. Lunga vita al signor!
© 1999 tijd.be
