Sir Senne Rouffaer [Kapellen, 19 december 1925 – 14 juli 2006]

Voor de dertigers en ouder onder ons is Senne Rouffaer een mythe uit onze jongste jaren: Kapitein Zeppos. Zeppos was een kapitein, een Engelse lord gelijk en een toonbeeld van integriteit zodat we hem meteen als televisievader adopteerden. Jaren later zou een van die zonen hem in zijn eindwerk opvoeren als een stervende man die door zijn zoon met sinaasappels vol vodka naar de andere wereld geholpen werd. Marc Didden voerde hem daarna nog eens op als een dirty old man in zijn film ‘Brussels By Night’. De vadermoord was volbracht en we konden weer met gewone ogen kijken naar de mens van vlees en bloed. Ook al hadden we hem ondertussen in tal van andere films gezien, bij uitstek in prenten van Delvaux, of in een experimenteel stuk van Jan Decorte of in een van zijn talloze toneelrollen. In Engeland zou een acteur van zijn formaat al lang met ‘sir’ aangesproken mogen worden, maar hij heeft al van nature iets van every inch a gentleman, een adel van de ziel, die hij in zijn rollen blootlegt.

Eigenlijk was het een beetje sneu om een acteur te vieren of te interviewen omdat hij zeventig wordt, we hadden dat al veel eerder moeten doen. Maar op die novemberdag in Dilbeek steekt Rouffaer van wal alsof de tijd geen vat op hem heeft. Hij staat nog onvermoeid op de planken klaar voor zijn zoveelste rol als Prospero in ‘The Tempest’ (De Storm) van Shakespeare.

“Ik zou niet weten waarom een acteur zich door een pensioenleeftijd zou laten afschrikken. Je bent bezig met het mooiste beroep dat er is. En zo lang je dat fysiek en mentaal aankan, is er geen reden om te stoppen. Nog gesteld dat je er rijk van zou worden, dan nog zou ik niet weten waarom je dat wat je altijd hebt willen doen, plotseling zou opgeven. Ik voel me lekker in een gezelschap. Andere acteurs zitten op mijn leeftijd al lang in een solocarrière of ze werken voor televisie, maar wat mij altijd geboeid heeft, is functioneren in een gezelschap, samen denken, samen visies uitzetten. Dat in het beste geval, want het is natuurlijk niet altijd zoals je het wil. Ik voel me gewoon goed in een troep. Het mooiste is toch wel om je in andere teksten, andere mensen en andere denkwerelden te verplaatsen. Het is een constante ontdekkingstocht op zoek naar de achterkant van de dingen, je probeert dat alles te doorvorsen, altijd maar opnieuw en soms is er die aha-erlebnis, de extase, het moment waarop je denkt iets gevonden te hebben. Die zoektocht kan ik niet laten. En iedere keer weer denk je het gevonden te hebben, maar uiteindelijk weet je nog altijd niets.”

Theaterbliksem
Senne Rouffaer leek aanvankelijk voorbeschikt voor een rustig kantoorbaantje in de buurt van de Antwerpse Groenplaats, gewoon achter een loket. Op een dag haalde een oud-leraar, de legendarische Ast Fonteyne, hem daar weg. Die zei hem gewoon dat daar zijn plaats niet was. Een paar huizen verder werd Jo Dua door dezelfde soort theaterbliksem getroffen. In die tijd werkte de theaterlijke voorzienigheid nog zo. Rouffaer kwam in 1951 bij het Reizend Volkstheater, een ambulant gezelschap dat stad en land bereisde en optrad in koude tochtige zalen waar de rook van de potkachel soms zelfs het zicht op de tegenspelers ontnam. Gepokt en gemazeld door dat soort bohémientheater, waar hij zijn eerst grote rollen speelde in ‘Driekoningenavond’ en ‘Tobias en Sarah’, kwam hij uiteindelijk bij de KVS terecht. Hij deed er in 1956 auditie bij Vic de Ruyter.

“Ik was het een beetje beu om met het Volkstheater rond te reizen. Het was mooi geweest, een mens wil een beetje standvastigheid en niet al dat heen- en weergereis. Toen speelde bij de KVS ook de crème de la crème: Dora van der Groen, Denise Deweerdt, Dries Wieme en Gust Maes, om er maar een paar te noemen. Waar kon je nog meer van dromen? Vic de Ruyter kende maar twee soorten acteurs: of je was een religieus acteur, zo noemde hij dat, en dan je was voorbestemd voor de echte karakterrollen; of je was een kermisacteur en je werd ingezet in de komedie. Dat was gewoon zo en daar zat voor hem geen kwaliteitsverschil in. In mij zag hij een ‘religieus’ acteur, zodat ik haast meteen grote rollen kreeg. Maar ik heb met veel plezier af en toe de stap naar de komedie gezet. Voor dat soort rollen moest je niet al te veel in je binnenste gaan spitten. Je kon je rol gewoon opbouwen rond de manier van praten en bewegen. Het waren gewoon prototypes uit de komedie en daar gaf je een silhouet aan.”

Rouffaer kreeg inderdaad de grote rollen: Hamlet, Richard III, Don Juan, Romeo, Oedipus, Marat, Macbeth, Koning Lear om maar de meest eke’ te noemen. Onder de drie wisselende directies bleef hij zijn ding doen, niet direct onverstoorbaar, maar consciëntieus en met een constante geestdrift en kwaliteit. Het instituut KVS werd, vooral tot voor de komst van Frans Marijnen, de kop van jut in de theaterkritiek. Maar hij is de eerste om directeur Nand Buyl in bescherming te nemen.

“Nand Buyl was misschien niet meteen een perfect regisseur, maar hij was en is nog altijd een schitterend acteur. Je rolde toch onder de tafel als hij zijn duivels ontbond. Hij was een acteur met een perfecte timing die je iedere keer weer op het puntje van je stoel kon krijgen, altijd verrassend. De dingen waren voor hem meteen helder en duidelijk, maar niet altijd voor de andere acteurs. Dan moest er toch gerepeteerd worden, maar Nand Buyl vond dat dan vervelend. Die dacht gewoon: kom laat ons toch spelen. Misschien heeft de KVS een aantal afspraken gemist. Er kwam al eens een andere regisseur maar er veranderde niets of er was financieel niet veel manoeuvreerruimte. Dat was een beetje het drama.”

“Maar ik heb onder gelijk welke directie met het meeste genoegen gespeeld omringd door schitterende collega’s.” Hij is duidelijk blij met de komst van Marijnen en de nieuwe wind die door het oude Arsenaal waait: de man die noch door leeftijd noch door gewoonte geraakt is.

Vodka Orange
Rouffaer heeft een indrukwekkende staat van dienst als theateracteur en regisseur. Daarnaast trad hij ook aan in een vijftiental films: van de allereerste tot de allerlaatste Delvaux, van ‘De man die zijn haar kort liet knippen’ tot ‘L’oeuvre au noir’. Tussendoor was hij te zien bij iedereen die een beetje prominent was in het Belgische filmlandschap: Didden, Deruddere, Verhaver, Kümmel, Cammermans, Buyens… een goede doorsnede van wat de Vlaamse (of Belgische) film in anderhalf decennium voorstelde.

Delvaux blijft hem bij als de man van het poëtische literaire oeuvre met de aandacht voor elke seconde van het acteren, niet het snelle werk, maar in een rust en stilte die de acteur tot ontplooiing laten komen: ‘Hij had aandacht voor de reële werkelijkheid van de acteur, niet voor de truc van het achter de kast vandaan komen. Werken met Delvaux was gewoon het einde.’ Hij zegt het zonder afbreuk te doen aan de kwaliteiten van de anderen en met een aparte vermelding voor die ene keer dat hij met Deruddere de kortfilm ‘Vodka Orange’ draaide. ‘Zo poëtisch als Delvaux met je omging, zo kon Dominique mij inpakken met de pure ‘joy of play’. De duisterste dingen mochten naar boven komen. We hebben ons gewoon echt geamuseerd.’

Eén bedenking maar, de reflex van de vakman-regisseur, dat de Belgische of Vlaamse film zich wel eens bezondigt aan het zich laten doodspelen van de acteurs: “Vaak blijft de camera te lang aarzelen. Je kan niet snel genoeg ‘cut’ roepen. Je moet het denken en het spelen tegen mekaar opzetten. Tussen een schrikmoment en de gil mag er geen ruimte zitten. Anders wordt het echt theater spelen. Je moet het moment pakken als het er is, geen twee seconden te laat. Dat merk ik ook in de verfilming van ‘Ons Geluk’. Er gebeurt iets wat om een reactie vraagt, het personage kijkt en geeft pas dan repliek. Dat zijn plaatjes bij praatjes, dan krijg je een fotoroman.”

Door zijn carrière heen houdt hij het contact met een jonge garde. Hij speelde tijdens het eerste Kaaiteaterfestival, begin ’80, in ‘Maria Magdalena’, een stuk van de toen spraakmakende Jan Decorte. In ’90 regisseerde hij, bij het NTG, ‘Blankenberge’ van Tom Lanoye. In de tussentijd liet hij zichzelf regisseren door een al even vernieuwende garde. En hij ziet met een welwillend oog naar de recente Vlaamse Welle: ‘Ach, die prachtige consternatie en verwarring van de Tijd of de Blauwe Maandag die telkenmale weer ontploft. Ik zit er voor op het puntje van mijn stoel. Maar uiteindelijk zal ook dat voorbijgaan. Er wordt volop geëxperimenteerd, maar altijd keert de acteur terug binnen de beperkingen van het kader. Het is precies hetzelfde wat er gebeurd is in de schilderkunst. De vorm waaronder kunst of theater ontstaat, is uiteindelijk maar bijzaak. Theater ontstaat uiteindelijk binnen die ene ruimte en tijd. Je kan alles laten ontploffen, maar de echte bewogenheid ontstaat uit de persoon van de acteur zelf.’

Storm
Je wordt met de jaren wijzer en stiller. Ik werk momenteel aan de rol van Prospero in ‘De Storm’ van Shakespaere. Ik vors daar op en dan zie ik dat de tekst zo helder is als wat. In die paar woorden zit het hele woelen van de wereld vervat. Met jaren verschil zie ik dat ik een rol wel best aardig gespeeld heb. Als je jong bent, ben je al blij als je iets ontdekt. Maar nu verzuip ik haast in de connotaties. Ik ontdek vanalles, maar bovenal dat het niet verbeterd kan worden zoals het er staat. Je leert gedachten te onderkennen en daar naar te praten. Het reservoir of de encyclopedie die je daar voor aanspreekt, wordt steeds gevulder, steeds groter. Je geheugen, dat monstertje, speelt je soms parten, dingen zeggen die er niet staan. Wat je leert, is maat en orde houden, concentratie houden om niet weg te slippen, om te weten wat je zegt: gewoon zoals het er staat en niet verbeterd kan worden. En dat op een manier dat alle oren van de honden in de zaal recht gaan staan. Uiteindelijk heeft theater dat voordeel op film dat er fysiek contact is, de toeschouwer observeert je, en heel even – als je aarzelt of een blackout hebt – schrikken ze op, ze lezen je minste trilling.’

En dan de onvermijdelijke vraag over Kapitein Zeppos, de held met het pied-de-poule jasje, de rijlaarzen en vooral die amfibiewagen. Wij kropen allemaal wat in de huid van zijn schuchtere vriend Ben. Zeppos leek zo uit Engels adellijk hout gesneden. Dat was nog eens een jeugdserie uit de tijd dat de BRT daar nog het patent op had. De serie is de wereld rondgereisd. Rouffaer wordt er soms door Deense mevrouwen op terrassen over aangesproken. Of Zeppos niet het toonbeeld was van integriteit? Hij lacht de vraag een beetje weg.

“Ik ben heel toevallig in de serie terechtgekomen omdat Ward de Ravet verhinderd was. Men heeft de rol op het laatste moment nog voor mij geschreven. Met Ward zou Zeppos iets meer van een mantel- en degenfiguur geworden zijn. Zeppos was in feite ook een soort silhouet waarbinnen je speelde. Je wist perfect wat hij niet deed: neen, dat doet ie niet. En zo was hij herkenbaar, betrouwbaar en als u het wil, integer. Maar de aandacht voor de serie was inderdaad overweldigend. Misschien lag het aan de acteur. Jouvet zegt dat als je bij de eerste ogenblikken van het opkomen op de scène geen seksuele binding hebt met de vrouwen in de zaal, je het mag vergeten, ook al speel je de stukken van de scène. Ik zou niet weten hoe je dat doet, maar misschien speelt het wel degelijk een rol.”

Gerrit Six © De Financieel-Economische Tijd