Eerste Lente

Elk jaar heb ik dat: een moment waarop je bewust/onbewust de lente voor het eerst voelt. Zaterdagavond naar buiten geroepen voor een klusje. De deur uit en de avond viel als een zijden mantel over me heen: dat gevoel van vederlichte osmose met de lucht, als van een t-shirt die heerlijk met je poriën mee ademt en steels streels om je heen zit. Die lichtheid die je voorvoelt in de nawarmte van komende lente-avonden en ook natuurlijk de sappen die stijgen, geflirt van vogels in de bomen, geuren in de neus en straks de eerste vleugelslag die met ras gerucht uit een gedicht van Willem Kloos komt:

Avond.

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring – ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele al te late vogel vliedt.
En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teerheid… Rust – o, wondervreemd genucht!
Want alles is bij dag zo innig niet.

Alle geluid dat nog van verre sprak,
Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat
Al zachter en zachter – alles wordt zo stil…

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al zo moe is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.